Tijd
60 minuten, 40 vragen. Sla een plaatje over en kom terug. Je mag antwoorden wijzigen tot je inlevert.
Het CBR toetst 40 meerkeuzevragen in 60 minuten. Totaal 80 punten, slagen vanaf 56. De stof valt in vier onderdelen. Wij volgen die indeling. Dit is lesmateriaal, geen officiële CBR-tekst.
| Onderdeel op het examen | Vragen | Punten | Zo zwaar |
|---|---|---|---|
| Wetten en reglementen | 1–18 | 35 | Grootste blok |
| Techniek en veiligheid aan boord | 19–23 | 12 | Klein, maar fouten kosten punten |
| Vaarwegen en het weer | 24–32 | 16 | Kaart, diepte, brug, mist |
| Veilig varen en manoeuvreren | 33–40 | 17 | Praktijk in theorievorm |
Bron opbouw: CBR-toelichting KVB1 (wettelijke bepalingen, voortstuwing/veiligheid, waterwegen/meteorologie, varen en manoeuvreren). Puntenverdeling is de gangbare examenvorm 40 vragen / 80 punten / 70%.
Hier zakken de meeste mensen. BPR eerst, dan uitzonderingen.
De plicht hangt aan het schip: pleziervaartuig 15 tot 25 m of een boot die sneller kan dan 20 km/u (ook jetski/waterscooter). Jij “rustig varen” maakt de boot niet vrij.
KVB1: rivieren, kanalen, meren. KVB2 extra: IJsselmeer, Markermeer, Wadden, Ooster- en Westerschelde e.d. Pas vanaf 18; examen mag eerder.
Examentip: lees of de vraag over lengte, snelheid of vaargebied gaat. Dat zijn drie verschillende drempels.
Op de meeste Nederlandse binnenwateren geldt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Op de Rijn en aansluitende RPR-wateren gelden RPR-regels. Het examen vraagt soms welk reglement van toepassing is, niet alleen de inhoudelijke regel.
Ook de Scheepvaartverkeerswet en Binnenvaartwet kunnen langskomen als kader: wie mag varen, wie is schipper, welke plichten heb je.
Vooruitkijkend: bakboord = links = rood. Stuurboord = rechts = groen.
Op een betond vaarwater vaar je in de regel aan de stuurboordwal (rechts in de geul). Wie dat doet, heeft vaak voorrang op wie dat niet doet. “Rechts gaat voor” van de auto geldt hier niet 1-op-1.
Examentip: kijk eerst of iemand stuurboordwal vaart. Pas daarna naar zeil/motor/spier.
Haven uitvaren geeft geen automatische voorrang. Bij bord B.9 mag je het hoofdvaarwater niet op als een ander daardoor moet wijken of minderen.
Varend motorschip: wit toplicht, wit heklicht, rood bakboord, groen stuurboord.
Zeilend zonder motor: geen toplicht, wel boord- en heklicht (of combinatielicht bij kleine schepen).
Voor anker: wit rondomschijnend ankerlicht. Beperkt manoeuvreerbaar / gestoord / niet-vrijvarend: extra rood of rood+wit. Dat betekent: ruimte geven.
Examentip: tel de lichten en vraag: vaart hij, ligt hij, of is hij beperkt?
Kort en lang. Kernseinen: aandacht; ik wijzig koers naar stuurboord; naar bakboord; ik sla achteruit; in nood. Bij mist extra seinen volgens lengte en soort schip.
Een politie- of hulpschip met optische + geluidssignalen: vrije doorgang, hinder wegnemen.
Nederland: IALA regio A, komende van zee: rood = bakboord, groen = stuurboord.
Cardinaal (N/O/Z/W): veilig water ligt in de genoemde richting van het gevaar. Geel speciaal: werkgebied, evenement, meetpunt — geen laterale geulmarkering.
Borden: A = verbod, B = gebod, E = aanduiding. Ken in ieder geval snelheid, ankerverbod, in-/uitvaart en B.9.
Koeling (water/lucht), smeerolie, brandstofkraan, beluchting van de motorkist. Benzinedampen + vonk of kooktoestel is een vaste risicovraag.
Accu: goed vast, polen schoon, laden in een geventileerde ruimte. Geen accu als “los gewicht” in de kuip.
Bij storing: eerst veilig stilliggen, dan diagnose. Niet blijven varen met oververhitting.
Het examen vraagt vaak “wat is minimaal nodig / wat is het eerst juist”. Kies veiligheid boven comfort.
Gasfles dicht als je niet kookt. Benzine nooit in open bak in de kuip. Blus olie/benzine niet met een emmer water.
Man overboord: wijs een kijker aan, gooi drijfmiddel, houd motor uit de buurt van de persoon, tel de opvarenden.
Alcohol: de schipper blijft verantwoordelijk. Varen onder invloed is strafbaar, ook “het is maar een sloep”.
Vaardiepte = waterdiepte minus diepgang minus veiligheidsmarge. Doorvaarthoogte = brughoogte minus hoogte van je schip (met antenne/mast) minus marge.
Het CBR geeft bij het examen een rekenmachine. Schrijf de som op. Eenheden (m / cm) zijn een klassieke valkuil.
Op stromend water: tegen stroom aanleggen is meestal beter te controleren. In een engte met stroom heeft wie met de stroom mee komt vaak voorrang — leer de BPR-regel, niet je onderbuik.
Op meren is wind belangrijker dan stroom. In een kanaal heb je weinig uitwijkruimte: vroeg zicht, vroeg minderen.
Mist: vaart minderen, uitkijk, geluidsseinen, positie houden. Hard door mist “om eruit te zijn” is fout.
Windkracht op ruim water bouwt steile korte golven. Havenwind zegt niets over het IJsselmeer. Onweer: open water verlaten, metalen mast is een risico.
KVB2 gaat dieper op getij en kaarten in. Hier gaat het om herkennen van gevaarlijk weer en beperkingen van klein schip.
Een schroef duwt water weg en trekt de hek soms opzij (wielwerking). Achteruitvaren reageert anders dan vooruit. Wind op hoge opbouw zet de boeg af.
Examenplaatjes: “welke kant draait de boot op als je achteruit geeft”. Denk schroef + wind, niet alleen het stuurwiel.
Een binnenvaartschip van 110 m stopt niet “even”. Als jij de stuurhut niet ziet, ziet de schipper jou vaak ook niet.
Wacht in de opstelruimte, niet in de geul. Volg seinen en aanwijzingen van de sluis- of brugwachter. Motorkracht laag, lijnen klaar, afstand tot de deur.
Inhalen van beroepsvaart alleen als er ruimte én zicht is. Nooit voor de boeg knippen.
60 minuten, 40 vragen. Sla een plaatje over en kom terug. Je mag antwoorden wijzigen tot je inlevert.
Vragen zijn 1, 2 of 3 punten. Een fout in het reglementenblok weegt zwaarder. Lees de vraag twee keer.
ID + reservering. CBR geeft rekenmachine en kladpapier. 15 minuten eerder aanwezig.